Wijd opengesperde kut toilet slaaf gezocht

...

Frits en ik hebben het er niet over gehad, maar zoals altijd als ik hem zie, gingen mijn gedachten terug naar de middag van de voetbalwedstrijd tegen de Haagse Post, toen ik na een keiharde tackle van Ischa Meijer jodelend van pijn tegen de grasmat ging. Iedereen riep meteen om dokter Frits, die nog wel geen dokter was maar ervoor leerde, wat min of meer hetzelfde is. Dokter Frits kwam, keek en zei: Een paar weken later hielp ik Frits verhuizen.

Om het geld dat we niet hadden uit te sparen, had hij een bakfiets gehuurd. Ik zat in de bak tussen huisraad, stoelen en een bed. Frits trapte en ondertussen bespraken we de komische sketch die we schrijven gingen voor Johnny en Rijk. Frits zag het daarom niet, het bestelautootje dat de Tweede Jacob van Campen uitkwam.

Daarbij kwam dat hij dacht dat je remde door de rem omlaag te duwen of omhoog, daar wil ik van af wezen, maar het resultaat was hetzelfde. Ik wilde wel dat het in de Spaanse Brabanderstraat was, maar het was in de Grianestraat dat ik samen onder onze paraplu gebakken vis rook. Echt verbaasd was ik niet, want om de hoek op de Bos en Lommerweg, wist ik, lag de vishandel van de Gebroeders Molenaar, geen kar, maar ook geen winkel, iets er tussenin. Molenaar is een visboer zoals visboeren horen te zijn.

Alle vis die een mens zich wensen kan, voortreffelijk uitgestald, leuk personeel en gezellige klanten, voornamelijk van Marokkaanse ­afkomst. Ik bestelde een harinkje en terwijl ik het me smaken liet, volgde ik het gesprek tussen een meisje van de vis en Marokkaanse die even niet wist hoe de vis die ze ­begeerde ook alweer heette.

De dorade en de zonnevis hadden geen moeilijkheden opgeleverd maar nu zat ze even vast. Ten slotte wees ze op mijn haring en zei: Ik hoopte dat ze hem ter plekke soldaat zou maken, met uitjes en een stukkie zuur, maar ze liet hem inpakken, ook goed. Even later staken we over naar de drukke kant van de Bos en Lommerweg, waar het wemelt van de patisserieën en de theesalons en waar door dames met kinderwagens geflaneerd wordt terwijl hun kleuters groepsgewijs aan uitzinnige lollies likken.

De Bos en Lommerweg is anders dan in mijn kinderjaren, maar ik voelde me weer helemaal thuis. Binnen wisten we dat nog niet en vroegen we ons af of er nog mensen waren die wisten wat dat was, een binnenkomertje.

De Bos en Lommerweg is als thuiskomen. Hier kom ik vandaan, hier ken ik ieder huis en ­iedere steen, iedere hoek en ieder poortje. Overal weet ik precies waar ik ben en als ik naar links ga of naar rechts draait de hele plattegrond met me mee. Maar ik was nog maar net voorbij pizzeria ­Michel Angelo of ik zag een paadje dat er niet hoorde te zijn maar er toch was. Het liep vlak langs het oorlogsmonument in de richting van de Hertspieghelweg.

Aan beide zijden van het pad lag een grasveld vol paarse krokussen. Ik liep het pad op en na paar stappen zag ik tot mijn niet geringe verbazing aan mijn rechterhand een straatje dat ik nooit eerder had opgemerkt. Aan de ene kant van het straatje keek je op de achterkant van de huizen aan de Bos en Lommerweg, aan de andere kant lagen enigszins verwaarloosd ogende loodsen waarin ­garages zaten en stapels autobanden lagen opgetast.

Het straatje, de Lippijnstraat, leek dood te ­lopen op de achterkant van de ­Admiraal de Ruijterweg die tevens de achterkant was van Indonesisch restaurant Betawi. Maar vlak voor het doodliep, was er een opslagterrein van Stadsdeel West. Door de gleuf van de brievenbus zag ik pallets met stenen en dakpannen.

Langs de muur van het terrein liep een pad dat naar een poortje leidde dat toegang gaf tot de Hertspieghelweg. Om te zeggen dat mijn wereld instortte, nee, maar dat ik als jongen een geweldige straat als de Lippijnstraat geheel gemist heb, deed pijn. Wat hadden we in de achtertuinen en tussen de loodsen niet voor rotzooi kunnen uithalen. Met een afstand van 65 jaar zag ik ons joelend door het poortje rennen.

De jonge mensen die ik leerde kennen toen ze nog jong waren, kende ik meestal via onze dochter. Maar Menno Wigman kenden wij onafhankelijk van elkaar, ieder op onze eigen manier. Dochter was punk en bij punk hoorde punkband Human Alert. De haardracht, de manier van ­opmaken en de kleding van de jeugdige punkies uit mijn omgeving kon ik zeer waarderen, maar met de kolereherrie die punkgroepen produceerden had ik niks. Human Alert heb ik nooit zien spelen. In diezelfde tijd schreef ik in deze krant veel over Franse literatuur, over dichters uit de negentiende eeuw in het bijzonder.

Toen wij elkaar kort daarna ontmoetten, vertelde de jonge dichter me dat hij de drummer was van Human Alert en een vriend van mijn dochter. Zoiets schept een band. In de jaren die volgden is Wigman nooit uit mijn leven verdwenen.

Hij maakte naam als dichter, maar bleef dezelfde man, schuw maar heel uitgesproken, nooit gelukkig en altijd, leek me, op de rand van de armoede. De laatste keer dat we elkaar spraken, was in de Hij was op weg naar de zolderkamer op de Churchilllaan die hij had gehuurd omdat hij daar beter werken kon. Het ging slecht met hem. Een hartkwaal, bijna dood geweest. Maar hij schreef, en daar ging het toch maar om. Een tijdje later, lees ik in mijn dagboek, stuurde hij me een lange brief.

In de mail, dus die brief is weg, want op een dag was al mijn mail verdwenen. Maar de foto van de jonge Human Alert drummer op zijn boze zwarte kistjes is er nog. Net als zijn poezie. De kennissen bij wie ik op bezoek ging, bleken in een dependance van het Rijksmuseum te wonen. Dezelfde architect, dezelfde baksteen, hetzelfde glas in lood en een monumentale trap die een monument is bovendien. Met ­uitzicht op het Vondelpark, dat er roerloos bij lag, kregen we het over lammetjespap.

Dat had ze als kind wel gedaan, maar lekker had ze het niet gevonden. Ik hield van havermout, maar lammetjespap vond ik lekkerder.

De gladgestreken pap als een de volmaakte cirkel op je bord, het klontje boter precies in het midden. Als er maar geen klontjes in zaten. En zo was de lammetjespap van meneer Wodehouse jaar na verschijnen opnieuw aanleiding tot veel commentaar. Toen ik de monumentale trap was afgedaald en het pand wilde verlaten, zat er een eekhoorn voor de deur die ­nadat ik hem had binnengelaten voor de tussendeur ging zitten ­miauwen.

Nadat ik afscheid had ­genomen van mijn ­afspraak fietste ik de Rapenburgerstraat uit, stak ik de Weesperstraat over, dook ik de Nieuwe Amstelstraat in en draaide een paar tellen later aan de andere kant van de Blauwbrug de Amstel op. Boven de ­Hermitage hing de maan.

Vol en groot, wit met een zweem van blauw. Over de bruggen ging ik van ­Hermitage tot Carré en de maan ging met mij mee. De maan hing boven de voetbalvelden van VVA en het was precies zoals mijn oma zei, de maan liep met ons mee.

Ik zal een jaar of vijf geweest zijn. De sluisdeuren van de Amstelsluizen stonden open zag ik en hoezeer het mij ook speet, bij de Hogesluis moest ik rechtsaf. Pas toen ik langs het Sarphatipark fietste zag ik de maan weer, want ik heb ogen in mijn rug. In het verlengde van de Eerste Jan Steenstraat stonden naast elkaar zes mensen de maan te fotograferen. Wonderlijk, want geen mens lijkt ooit naar de maan te kijken. Ook nu niet, want het was een zwerm spreeuwen in een boom die gefotografeerd werd.

Toen de zwerm opvloog , de maan bijkans verduisterend, stoven de zwermkijkers uiteen. En zo gebeurde het dat er in de Eerste Jan Steenstraat drie mensen naast elkaar een blauwe maan stonden te fotograferen. In een steeds grijzer wordend verleden had ik een betrekking bij een grote uitgeverij die kantoor hield in een buitenwijk van Haarlem. Als het ­lunchuur was aangebroken zag je daar een heleboel mannen en vrouwen die zich naar hun auto haastten om in nog grotere haast weg te rijden.

Nader onderzoek leerde dat ze bij een aan de weg naar Alkmaar gelegen motel moesten zijn. Wat zijn daar gingen doen, is mij onbekend, maar eenmaal terug op het werk oogden ze vaak wat verfomfaaid. De stelletjes die ik in diezelfde tijd in het Miranda Paviljoen aan de Amstel zag, oogden in het geheel niet verfomfaaid, integendeel, ze oogden prachtig. Hij was meestal vijfenveertig en strak in het pak, zij nog net geen achtendertig, zorgvuldig opgemaakt, met oorbellen en hoge hakken.

Ze dronken witte wijn en zuchtten. Als ze vertrokken, liepen ze ieder naar hun eigen auto. Minder bekend is dat jonge mensen ook zulke hangouts hebben. Voor gestolen kussen treffen ­Marokkaanse geliefden elkaar graag in het plantsoentje van de Harmoniehof bij mij om de hoek, maar een nog mooiere plek was het charmante snackhuisje aan het begin van de Vossiusstraat, vlak bij de Van Baerle.

De jongens hier waren zelden ouder dan 19, terwijl de meisjes niet verder reikten dan 16, maar alles in hun gedrag wees op overspel. De schichtige blikken, de vaak wanhopige zuchten, het schimmige van hun komen en gaan. Het snackhuisje is afgebroken, maar de jongens en meisjes die er kwamen, zullen een andere plek hebben gevonden.

Niemand die mooier over straten schrijft dan ­Patrick Modiano. Zijn roman De horizon uit was me ontgaan, maar kwam met enige vertraging toch op mijn pad, zodat ik het weer eens kon controleren, en ja hoor: Op weg van hier naar daar kruis je de Rapenburgerstraat wel eens en een enkele keer volg ik hem een stukje, maar de straat als geheel wist me lang te ontsnappen.

Ik weet nog hoe verbaasd ik was toen ik ontdekte dat het einde van de straat tegenover de Harmoniehof ligt, van elkaar gescheiden door Boerenwetering en Hobbemakade, maar toch. Aan het einde van de straat kan je het begin niet zien. Wel een hoog gebouw, waarvan de kenner aan mijn zijde beweerde dat het om het Okura ging. Onderweg beleefden we vele avonturen. Zo kwamen we langs een Albert Heijn die in koloniale waren deed en was er een boekenkastje met Ilias en Odyssee in het Grieks.

Toen kwamen we aan de rivier waar de straat zijn oorsprong vindt en konden we niet naar de Unie voor een biertje, want een café is geen rivier.

Mijn grootvader was een strijker. Hij heette Cees en was kort na zijn tiende verjaardag naar Amsterdam vertrokken. Aalsmeer met zijn zwartekousenkerk waar hij op zondag vier keer naar toe moest, was hem te machtig geworden.

Hij had zijn klompen aangetrokken en was naar Amsterdam gelopen. Of hij daar bij iemand terecht kon, of dat hij eerst als een jongen uit een roman van Dickens dagen en nachten over straat heeft gezworven, weet ik niet.

Als iemand dood is, merk je pas wat je vergeten bent hem te vragen. Het waren de dagen van het opkomende socialisme. Mijn grootvader sloot zich aan. Hij hoorde Pieter Jelles spreken, en Wibaut, en Domela. Hij werd leerling typograaf en was lid van de Bond. Het was een kleine man, met rossig haar dat hem al snel in de steek liet. Hij trouwde met een dienstmeisje, Jannetje Kastelijn, een weeskind afkomstig uit Apeldoorn. Haar dienstje was op de Nassaukade, bij dokter Spanjer die goed voor haar was.

Hij kon onbedaarlijk lachen om tante ­Anna, die in het duister van de alkoof bij een kaars de kaart legde. Maar zelf was hij een strijker die met golvende bewegingen pijn wegstreek. Je gaat de Albert Heijn binnen en het lijkt voorjaar en als je weer buiten komt, is het noodweer. In de ­beschutting van een portiek in de Ferdinand Bol stond een oude ­Indische vrouw. Het waait zo en ik ben bang dat ik val. Dus ik ben heel voorzichtig. Tot de stoplichten alstublieft. Ze ging bij de Bestseller even wat sigaretten kopen.

En dan neemt ze straks een lift terug, bedacht ik nadat ik afscheid van haar had genomen. Bij de brievenbus bij ons in de straat kwam ik de mevrouw van de postzegelwinkel tegen.

Ze vertelde me dat ze met Theo van de Kaas een wedstrijd deed wie vaker in Klein geluk voorkwam. Goede kansen lachen je toe. Ook in de toekomst. Waar ik ook woonde, de middenstand heeft zich altijd in mijn warme belangstelling mogen verheugen. Vooral wisselingen van de wacht interesseerden mij zeer. De jaren in de ­Bosboom Toussaintstraat waren wat dat betreft een goudmijn, want straat en buurt ondergingen in die tijd grote veranderingen, wat je uiteraard terugzag in het winkelbestand.

Melkboer en bakker verdwenen uit de straat, abonnementsrestaurant Alco moest eraan geloven, en zelfs Piet en Truus van de sigarenwinkel, waar het zo uitbundig naar stamppot andijvie met een slavink ruiken kon, sloten uiteindelijk de deuren.

Maar er kwam van alles voor in de plaats. Mijn favoriete nieuwkomer zat vlak om de hoek van de Eerste Constantijn Huygensstraat. Zomaar zonder aankondiging was hij er, een vrijwel lege zaak, bemand door een grote zwarte man in een blauw pak dat van glinsterende kunststof leek. Hij zat roerloos achter een toonbank waarop drie blikken motorolie op elkaar gestapeld stonden. Voor zover ik kon nagaan zat hij er van 10 tot 6, een maand of zeven schat ik, toen was hij verdwenen.

Achter de balie hing de brief die hij op 23 augustus vanuit het hotel geschreven heeft: I would like very much to accept your invitation for tonight, but owing to the fact that I have taken a big dose of Castor Oil, I will have to stay in the house for a few days. From yours truly, Louis Satchmo Armstrong. We liepen op de Nieuwe Keizersgracht, aan de zonnige kant, op het tweede stuk, voorbij de Wibautstraat, vanaf de Amstel gezien dan.

Het is zo mooi en stil hier dat je aan je ogen en oren gaat twijfelen. Het aardige is dat de bewoners van al dit moois uitkijken op tamelijk lelijke flats aan de andere kant van het water.

Je ziet dat wel vaker. Een tijd lang kwam ik in de Kerkstraat op een verdieping in een van de ­lelijkste huizen van de stad, en dat wil wat zeggen. Maar als ik vanuit dat lelijke huis naar buiten keek, zag ik op een paar meter afstand een van de mooiste huizen van de stad. Het werd bewoond door ­typograaf Helmut Salden en ik heb het altijd erg gevonden dat hij vanuit zijn prachtige huis moest zien wat er tegenover hem stond.

Wij waren inmiddels aan het einde van het grachtje gekomen. Aan de overkant stond het Rosenthal-May Zusterhuis waar vroeger Jet woonde, de coupeuse die nog voor prinses Beatrix coupeerde, en voor ons lag de Hortus met zijn kassen.

Omdat het al bijna donker was lieten we de Hortus links liggen en begaven ons naar café Koosje, voorheen café De Plantage, waar toen twee wonderlijke Duitse dames de scepter zwaaiden. De bazin altijd op haar vaste plaats, haar vriendin druk bezig de chaos in het keukenkastje aan te pakken. Takel het raam omhoog. Vergrendel het raam met de ketting. Opmerkelijk dat er altijd wel iemand rende om hem te halen.

Wij ook toen ons moment gekomen was. Het is interessant te zien hoe namen van drankjes veranderen. Toen ik nog dronk had je, in aflopende grootte, de grote pils, het biertje en het ­colaatje pils, waarbij aangetekend dat een grote pils ook wel een vaasje werd genoemd. Een ­Amsterdammertje kon je niet ­bestellen.

Als tijdens het schenken je glas niet vol raakte, maar de jeneverfles wel leeg, was wat er in het glas zat voor jou, gratis en voor niks, en dat heette een Amsterdammertje. Geen café dat er nog weet van lijkt te hebben.

En dan de kopstoot. Dat is tegenwoordig een biertje met een jonge borrel ernaast. Als je in mijn tijd een jonge jenever bestelde, vroeg de barjuffrouw of het wel goed met je ging en of je niet liever een ­citroentje met suiker wilde.

En die ging in de pils. Je kon hem er ingooien, maar liever lieten wij de borrel met glas en al in het bier zakken. Een duikboot heette dat. Wat nu een kopstoot wordt genoemd, heette een stelletje.

Ook lekker, meen ik me te herinneren. Inmiddels vraag ik me af of het wel goed gaat met de jenever. Wie heeft ooit zoiets gehoord. En met de glazen zijn ook al problemen. Met gierende geeuwhonger stond ik op station Sloterdijk. De ch was in de klok, maar zie, de Döner Company was nog open en er stond geen rij.

Goede raad was deze keer niet duur en nadat ik de kleurenbijlage aan de wand bestudeerd had, bestelde ik voor 3,50 euro een medium broodje kalfsdöner met sambal, dat ik even later ingepakt de tram binnen smokkelde. Zo halverwege, verdekt opgesteld tussen conducteur en ­bestuurder, begon ik aan het eerste tramdiner van mijn leven. In de Hongerwinter hadden we honger, nu had je hooguit trek. Een goede vriend vertelde me onlangs dat hij in de Hongerwinter een keer tegen­over zijn moeder zat en toen de letters die hij zag begon te spellen: Toen de Hongerwinter afliep, was hij twee, dus voor het waarheidsgehalte van de anekdote kon hij niet instaan.

Ik leerde pas lezen toen ik op school zat, maar toen las ik ook alles wat los en vast zat. De eerstvolgende keer in de tram liet ik haar zien dat ik gelijk had. Het stond er inder­daad, de i was weggevallen en is niet meer teruggekeerd.

Ook vanavond reed ik langs de Slatunèn­weg. Mijn toenmalige vriendin en ik konden overal ­ruzie over maken. Over schoenen, schepen, ­zegellak, kolen en koninginnen en waarom de zee kokend heet is en of varkens vleugels hebben.

Kwam ze thuis en vroeg ze: Gisteren hebben we ook al andijvie gegeten. Deze keer kwamen we van een feest op de Film Academie, waar ik haar woede had opgewekt door een snierende opmerking te ­maken over de befaamde concentratiekampfilmer Joris Ivens.

Ik had Joris er op een soort troon zien zitten met allemaal meisjes aan zijn voeten die in stille aanbieding naar hem opkeken.

Een stuitend tafereel, vond ik. Maar dat was ze, laten we het voorzichtig formuleren, niet met me eens. Toen we in het vale morgenlicht van een late zomernacht door de ­Jacob van Lennepstraat naar huis liepen, laaide de ruzie weer op. Ze gaf mij een schop en ik haar een zet, zij mij een klap en ik haar een schop. Ze begon te schelden en ik overwoog net tot terugschelden over te gaan, toen ik het gevoel kreeg dat we werden bekeken.

De stokoude vrouw die op één hoog achter het raam in een grote fauteuil zat, had een brede glimlach op haar gelaat. Ik denk vaak aan haar zoals zij daar zat. Net Willemien, eenzaam maar wel met zijn drieën. Storm in de stad. Toen ik de deur uitging, werd me ­gevraagd of ik niet door straten met bomen wilde lopen en of ik niet beter een vergiet op kon zetten. Eenmaal op straat bleek het inderdaad stevig te waaien. Wat wind mee had, zeilde over de weg, en wind tegen had een kop als een brulboei.

Wat er helemaal niets mee te maken heeft, maar wel illustreert hoe je iemand totaal kunt vergeten, terwijl Netty Rosenfeld toch een van de aardigste mensen was, die ik gekend heb. Haar man had een tijdje een verhouding met de actrice Christel Adelaar, die in Pipo de Clown de rol van zijn vrouw speelde. En toen die een keer bij haar op de stoep stond, riep Netty naar haar man: Trams reden niet meer in het ­kader van de storm en fietsen was me te link.

Ik bleef dus in eigen buurt. Toen ik bij Martyrium een krant kocht, zei mevrouw Martyrium: Ik bezorgde toen de krant op de Plesmanlaan en omgeving.

Op een pleintje in het hart van de storm had ik mijn fiets met de Parooltassen tegen een lantaarnpaal gezet toen de fiets kantelde en mijn laatste honderd kranten in een windhoos terecht kwamen. Daar ben ik toen gaan aanbellen om ze terug te vragen.

Veel niet-abonnees bleken erg aan hun krant gehecht. Bij Opsmuk, de Indianentooienwinkel van Saar en Peet in de Roelof Hartstraat die komende zomer helaas gaat sluiten, hadden we het, wegens omstandigheden, over begrafenisondernemers. Want hij had nogal eens last van wanbetalers. Peet was op school toen hij over de dood van zijn groot­vader vernam en nam meteen een taxi naar Zaandam. Zondagmorgen vroeg hadden we de afspraak met de ­begrafenisman.

Hij droeg een zwart pak en een hoed en toen hij binnenkwam, zag ik meteen dat hij een kater had. En niet een beetje, nee, een onvervalste driesterrenkater, een klasse-exemplaar, neem dat van mij aan, want ik heb er verstand van.

Ik heb katers gehad, dat wil je niet weten. In de binnentuin waar wij op uit kijken, was het een drukte van belang.

Ik zat aan tafel en schreef een brief aan een vriendin die ik heb leren kennen in de zomer van De vakantieliefde van vorig jaar, voor wie ik naar Canet-Plage gekomen was, was voorbij en ik was in mijn dooie eentje naar het strand gegaan. Nadat ik mijn handdoek in het zand had gelegd, zag ik dat er een eindje verderop onder een grote parasol drie meisjes zaten.

Eentje in een blauw badpak, eentje met een zwarte strooien hoed op en een met hagelwitte tanden. Wat een leuke meisjes, dacht ik, maar zij zaten daar en ik stond hier en hoe ik hier in daar moest veranderen, wist ik niet. Daarom liep ik naar zee en dook in de golven. Toen ik weer opgedoken was en naar mijn handdoek liep, was hij verdwenen.

Het was het meisje in het blauwe badpak dat met mijn handdoek naar mij zwaaide als met een zakdoek naar een vertrekkend schip. In mijn jaarlijkse brief aan haar haalde ik herinneringen op aan haar vader, die Gauloises rookte in maispapier, aan de pingpongtafel in de tuin voor hun huis aan zee, aan Capri, de hond en aan de ­Canigou natuurlijk, die altijd toekeek.

Toen de brief in zijn enveloppe zat en ik die wilde adresseren, kon ik het adres niet vinden. Maar plotseling schoot me de agenda uit te binnen die ik altijd bewaard heb, en daar stond het, in mijn jongenshandschrift, Hortensiastraat De Leidsestraat was vroeger een sjieke winkelstraat met deftige herenmodezaken, boekenwinkels, theesalons, een tapijtenhandel, een platenzaak waar je op maandagmorgen moeders in de rij kon zien staan om voor hun zonen een kaartje te kopen voor het nachtconcert van Gerry Mulligan, juweliers, diverse schoenenwinkels, restaurant Bali en twee delicatessenwinkels.

Als ik op zaterdagmiddag door de Leidsestraat liep, dacht ik altijd dat er van alles ging gebeuren, maar er gebeurde nooit niks. Bij de sigarenwinkel vlak voorbij het KLM gebouw kocht ik een pakje sigaretten. Als je ja zei, sneed hij met een pennenmesje het pakje open en tikte ­tegen de onderkant tot de sigaret naar buiten kwam, die ik tussen mijn lippen nam om me vervolgens voorover te buigen naar het gasvlammetje dat brandde op de toonbank.

Als ik met de tram door de Leidsestraat rijd, kijk ik naar het verleden, maar ik zie het niet, behalve het korte ogenblik dat ik in de etalage van Eichholtz het Drostemannetje zie staan. Toen mijn moeder haar blikjes Delmonte nog bij Eichholtz kocht, reden we een keer over een bergpas in Zwitserland, de Gotthard of de Brenner of zoiets.

Ik lachte en ze lachten terug, ik zwaaide en zij zwaaiden terug. Toen ik door de draaideur naar binnenging, bedacht ik dat ik het pasje dat toegang geeft tot de studieruimte vergeten was. Ik meldde me dus bij de balie. Alles was spannend dat jaar en alles mocht, samen met een vriendje schrift na schrift vol tekenen met eitjes die uit een paaseierenfabriek kwamen bijvoorbeeld, of een boek van huis meebrengen en daar tijdens de leesles in lezen.

Wat niet mocht, was opscheppen. Ik had een vriendje waar ze thuis een poes hadden die op de wc ging. Dat vertelde hij een keer, maar mevrouw Besier was het daar niet mee eens, dat vond ze een vorm van opschepperij. Ik denk daar nog vaak aan. Ze was al dik in de tachtig toen ik haar een keer aan de telefoon kreeg.

Ik weet wat ze ervan had gevonden, dat ik dit nu opgeschreven heb. Zoals ik af en toe doe, zat ik De reis om de wereld in 80 dagen te lezen.

Zoals altijd ging Phileas Fogg zijn beroemde weddenschap aan, waarna hij zich ­samen met zijn kersverse bediende Passepartout naar Charing-Cross Station spoedt.

Zoals altijd geeft Fogg de twintig guineas die hij zojuist aan de whisttafel heeft gewonnen aan een behoeftige waarop hij samen met Passepartout naar de wachtkamer gaat.

En daar lezen we: Ik voel wel eens heimwee naar het gasvlammetje op de toonbank van de sigarenwinkel of naar het geluid van een tennisbal geslagen door een houten racket, maar bovenal heb ik heimwee naar de steile wand, naar het geluid van de motoren die je op de kermis al van verre hoorde, naar de mannen op de motoren die eerst een voorzichtig rondje reden en dan, als ze iets harder gingen, hun motor tegen de steile wand op stuurden, steeds sneller en steeds hoger, tot ze vlak onder de rand ­reden en je ze zo zou kunnen aanraken.

Met losse handen reden ze hun rondjes, achterstevoren op hun motoren gezeten, met gevaar voor eigen leven, onverzekerd bovendien.

Want dat werd er aan het slot van de voorstelling altijd bij ­gezegd, waarna het muntjes ­regende in de piste. Op ons viermaandelijkse kopje thee, in Wildschut deze keer, dronken we koffie verkeerd en cappuccino, een en ander ­gebracht door een vermakelijk meisje dat ons toen we heel erg te lachen zaten, kwam vertellen dat ze iets in onze thee had gedaan. Mijn vriend is van mijn leeftijd, maar dan iets ouder en ons theedrinken eindigt altijd met de ­mededeling dat hij het qua fietsen nu echt iets rustiger aan gaat doen.

Aan het begin van het gesprek heeft hij dan verteld dat hij tijdens een tocht om het IJsselmeer ter hoogte van Stavoren met een snelheid van 70 in het uur een stevige smak heeft gemaakt. Stavoren lag deze keer in Amsterdam-Noord, in een bos bij het Noordhollands kanaal.

Mijn vriend is blij dat hij nog dingen doet waardoor je in het ziekenhuis kan belanden, dus eigenlijk was dat ribbetje een tegenvaller. We kregen het over straatnamen. Was ik al eens in de Internetstraat geweest, of op de Disketteweg? Kende ik het Orgeldraaierspad, en hoe was ik met de Snelfietsweg? Maar soms was ze zo ongeduldig dat ze tot toverspreuken overging om het huis een handje te helpen.

Ze heeft het me nooit verteld, maar ik geloof dat ze erin geloofde. Ik zou het ook graag doen, maar ik heb zoveel spullen om me heen verzameld, dat zelfs Sint Antonius er geen wijs uit weet. Maar wat het huis verliest, brengt het huis terug, soms zelfs dingen waarvan je niet wist dat je ze had.

Gisteren was het een boekje van Siegfried van Praag met de titel De Eeuwige Plantage, zijn in geschreven herinneringen aan de Plantage waar hij zijn jeugd doorbracht. Hij vertelt daarin, nooit geweten, dat de Plantage aan het einde van de negentiende eeuw een buurt was van kroegen en bordelen. In de tijd dat we in de Bosboom Toussaintstraat woonden, ging ik op werkdagen om kwart voor negen de deur uit om naar mijn werk te gaan.

Nadat ik de eindeloze trap was afgedaald, liep ik de straat in, waarna ik de Alberdingk Thijmstraat kon nemen om dan de Van Lennepkade af te lopen. Ik kon ook de De Genestetstraat ­nemen om vervolgens dezelfde kade af te lopen. De derde mogelijkheid was helemaal doorlopen naar het einde van de straat en dan meteen de Nassaukade op. Onderweg groette ik kapper Cor, die al vrolijk te knippen stond, zwaaide ik naar de bereden polities die mij koutend tegemoet kwamen en maakte ik vaak een praatje met Martin Bril, die er altijd vroeg bij was.

Het was een plezierig wandelingetje naar bus Op een gegeven ogenblik begon het me op te vallen dat ik vaak een zwangere vrouw zag, dat ik steeds vaker een zwangere vrouw zag en dat het verdomme wel leek of alle vrouwen zwanger waren.

Bleek dat er in de De Genestetstraat een geboortecentrum was neergestreken. Wanneer ik mijn huidige behuizing verlaat, zie ik mensen met wandelstokken en mensen op krukken, achter rollators en in rolstoelen.

Het zal, denk ik, iets te maken hebben met Medisch Centrum Roelof Hart dat, een paar jaar geleden alweer, het postkantoor heeft overgenomen. Mij hebben ze niet meer. Zie ik overal trambestuurders met hun conducteurs, dan veronderstel ik een remise, zie ik allemaal koksmutsen een koksschool, maar wat te denken van allemaal aluminium kokertjes als patronen op de stoep en in de goot?

Op het kleine stukje Olympiaplein achter het Van Heutszmonument telde ik er maar liefst dertien. Inmiddels ben ik er achter. Middelbare school in de buurt. Op weg naar zomaar een wandelingetje hield ik even halt voor café De Zeepost op de hoek Prins Hendrikkade-Oudezijds Kolk en bekeek de schitterende krulletters op de ruit.

Dat weet u zo niet, maar de broer van mijn grootvaders zuster was de eerste krulletterschilder van Amsterdam en deze letters zijn nog van zijn hand.

Uit meen ik. Het al even fraaie zeilbootje in de vensterbank is gemaakt door zijn tante die bekend stond als Schele Greet. Bij de Oude Kerk liep ik de steeg met de kinderhoofdjes in die Oudekerksplein heet en waar lang geleden een kolenwinkel zat die in zijn etalage een enorm brok steenkool ­exposeerde. Even later stond ik voor de Dolle Begijnensteeg. Volgens de overlevering was het in deze steeg dat wij, een stel kinderen uit de zesde klas van Erasmusschool onder wie Joke Vlietman en Hans van Bronkhorst, een emmer water over ons heen kregen toen we door de kier in het gordijn van een peeskamertje naar binnen stonden te loeren.

Eerder die middag waren we op het Rembrandtplein naar het Waterorgel geweest, een nu vergeten attractie, waarbij een orgel als het bespeeld werd in zijn pijpen gekleurd water omhoog stuwde, een symfonie van kleur en muziek zal ik maar zeggen.

En daarna dus hup naar de dolle begijnen. Met Marcel van antiquariaat Feniks had ik het over de raadselachtige prijzen die je tegenwoordig betaalt voor de boeken van Hanny Michaelis. Haar dichtbundels die allemaal van voor zijn, kan je overal kopen, en voor een symbolisch bedrag.

Maar Verst verleden waarin ze over haar jeugd verhaalt, is vrijwel onvindbaar en als je het vindt onverwacht duur. De vrouw ­begon te lachen en ging er meteen weer vandoor.

Als je met haar in de auto zit en je zegt dat we rechts af moeten, gaat ze ongezien naar links, en omgekeerd. Maar het gekke is dat je de boel niet recht kunt trekken door alles om te draaien. Om de een of andere reden gaat ze dan wel rechtsaf. Marcel dacht een tijdje na en zei toen dat hij het gevoel had in een sketch van Walden en Muyselaar te zijn beland.

Na een lange wandeling door de stad waren we hier toen neergestreken om op een belangrijk telefoontje te wachten aangaande dochter en klein grut, dat zich tijdens onze wandeling leek aan te kondigen in de vorm van een veelkleurige bal, gevonden in de Reestraat. Als het goed is, is de bal nog ergens. Als we zitten en een andere besteld hebben, wijst mijn geliefde me op de telefoon aan de muur achter ons. Het is een ouderwetse cafételefoon.

Je kon er mee bellen, maar niet gebeld worden. Zou hij het nog doen? Toen onze kleindochter een jaar of drie was, waren er nog telefooncellen in de stad. Als ze op de Elandsgracht de cel tegenover het hoofdbureau van politie in de ­gaten kreeg, moest ze altijd nodig met oma in Parijs bellen. Wat na het inwerpen van de denkbeeldige muntjes altijd prima lukte. Na haar gesprek liepen we de Oude Kinkerbrug over de Singelgracht op waar we inmiddels verzamelde takken in het water gooiden om te kijken of ze aan de andere kant van de brug weer tevoorschijn kwamen.

Tien jaar geleden ­alweer? Toen onze portie calamares zich bij het bier en de wijn had ­gevoegd, kwam er een zwarte poes op de bar zitten die de pose aannam van de zwarte poes op het beroemde affiche van cabaret Le Chat Noir. Op het Leidseplein reed de 5 net voor onze neus weg. Een goede reden, leek ons, om een kijkje te nemen bij het opgefriste Américain. We gingen de heerlijke draaideur door, stapten het café binnen en werden prompt tot staan gebracht door een vrouw die er geen misverstand over liet bestaan dat we in het gedeelte waar je iets kon drinken, niets te drinken zouden krijgen.

Dat de bar open was, hebben we voor kennisgeving aan genomen. Weer thuis zette ik de televisie aan, en meteen weer uit, want daar had je hem weer, De Stem, de geheimzinnige stem die in televisieland de boel aan het overnemen is. Wij kijken altijd naar Het Journaal, maar dat is verleden tijd, want enkele weken geleden was daar plotseling De Stem.

De Stem komt erin als iemand iets zegt in een andere taal dan het Nederlands. Eerst was de stem er alleen in Het Journaal, maar inmiddels doet hij ook series.

Helemaal in zijn eentje leest hij alle stemmen voor. Als je bij het Centraal Station uit de 24 stapt, of uit de 4 of de 26, maakt niet uit, en je loopt in de richting van de hoofdingang dan zie je in de uitbouw van de eerste toren een deur zo groot als een staldeur.

Tot voor kort kon je hier vaak een groep Oost-Europese straatmuzikanten treffen die hem vooral op de klarinet stevig wisten te raken. De mannen op de brug over de Zwanenburgwal naar het Waterlooplein speelden misschien beter, maar het Centraal Station Ensemble had meer pit. Beide groepen zijn verdwenen, de Peruviaanse panfluiters achterna, denk ik.

Ik dacht meteen aan kroketten, maar toen ik dichterbij kwam, bleek het om een restauratiebedrijf te gaan. Er werd weer eens wat hersteld aan het station, een mens kijkt er van op.

Maar toen we de hoek om ­waren en door de enorme ruit die achter de staldeuren blijkt schuil te gaan naar binnen keken, bleef ik in stille verbazing staan. Wat ik zag was een prachtig houten plafond, dat was afgezet met vrolijke schilderijen van engeltjes of cherubijnen, het verschil is me nooit helemaal duidelijk geworden. Iets wat ik graag eens zien zou willen. Bij banketbakker Arnold Cornelis in de Van Baerlestraat stond om te proeven een lekkernij op de toonbank waarvan ik me de naam niet herinnerde, maar die ik herkende en waarvan ik me de smaak meende te herinneren.

Toen ik een hapje had genomen, wist ik dat ik me niet vergistte. Waar mijn moeder kaasvlinders kocht, weet ik niet meer, maar ze kocht ze op de zaterdagse expeditie die begon bij het Hammenhuis in de Sint ­Luciensteeg en die mijn vader en haar vervolgens naar een slager in de Jordaan voerde voor leverworst, naar een taartjeswinkel in de Maasstraat voor een bepaald soort droge gebakjes en dan nog ergens heen voor rauwe Gelderse.

De gedachte dat je bij een winkel meer dan een lekkernij zou kunnen kopen, hield mijn moeder voor ketterij. Die moesten door de velg gestoken worden en vastgeschroefd. De schemering is nog niet begonnen, maar er hangt een haast ­onzichtbare nevel ­boven de Zoutkeetsgracht die de schemering lijkt aan te kondigen. De gracht ligt er prachtig bij, stil en onaangedaan, het IJ nabij maar veraf tegelijk.

Achter een groot raam staat een vrouw iets aan de lade uit een ladenkast te poetsen. Haar werkplaats is in­gericht als een timmerbedrijf, maar ik denk dat ze zich meer met restauratie bezighoudt dan met timmeren. In haar vensterbank staat een houten vrachtwagentje, zo hartverscheurend mooi dat ik mijn neus tegen het venster druk als was ik Kruimeltje voor de etalage van de banketbakker.

Als de timmervrouw opkijkt, zwaai ik naar haar, waarop ze ­terugzwaait, mensen die ge-zwaaid worden, zwaaien altijd ­terug. Maar nee, dat weet ik niet. Aan de overkant van het water ligt een zeilschip, waarvan mast en fokkenstag met lichtjes zijn versierd. In de huizen branden kaarsendakjes en kerstbomen, in het donker is overal licht. We gaan ­onder het spoor door, steken de Haarlemmerstraat over en lopen richting Noordermarkt als we bij café Papeneiland langs een grote kerststal komen.

Jezus en Maria, os en ezel, de Wijzen uit het Oosten, het hele spul, achter glas, aan de Prinsengracht, met de Westertoren in de verte. Hoewel het dooide, was het spiegelglad op straat. Je kon het zien, want niemand liep ­gewoon door de bagger die even eerder nog sneeuw was geweest, iedereen tilde zijn voeten op. Ondanks de dooi was het koud. Niet zo koud dat de stratenmakers hun werk mee naar huis namen, maar de verhuizer die op het ­Museumplein in zijn verhuis­wagen tussen de meubelen stond, liet weten dat hij met dit weer toch liever op het strand zat.

Het Passage Kwartet in de passage onder het Rijks speelde, zoals gewoonlijk, de Lente van Vivaldi en behalve een accordeon klonk nu ook de schuiftrompet. In het Concertgebouw zouden ze deze bezetting ook eens moeten proberen.

Achter de ruit die de hal van het museum toont, stonden vijftien kinderen met kwasten gewapend achter een schildersezel in een halve cirkel om een model heen, dat op een stoel op een ­verhoginkje zat.

Ze zag er uit als Jacoba van Beieren lustte geen ­eieren. Tussen de andere toeschouwers ontwaarde ik de man die zich indertijd bezig hield met het bestuderen van het bazenprobleem.

Wat wilde zeggen, dat hij in ieder café vroeg wie hier de baas was, waarna er in vele gevallen verschrikkelijke vechtpartijen losbarstten met vliegende barkrukken en veel brekend glaswerk.

Een en ander uiteraard tot grote vreugde van de aanwezigen. Nadat ik hem in café de Ster had voorgesteld aan Karel van het Reve, vroeg Karel mij wat hij deed. Waarop ik zei dat hij het bazen­probleem bestudeerde. Alies uit Roelofsarendsveen die het onder het knippen vaak zo gezellig met mij praat, blijkt ­helemaal niet uit Roelofsarendveen te komen, maar uit Boekelo. Of was het Dwingeloo, daar wil ik van af wezen, maar in ieder geval vertelde ze mij hoe een week eerder een bejaard echtpaar zomaar twee fietsen die voor de winkelruit stonden omver had gelopen.

Ze stonden ernaar te kijken alsof ze bij Madame Tussauds stonden, echt van die museumpoetsers. Mooi woord hè, het schoot er zo maar uit. Dat heb ik wel vaker, dat ik ineens een nieuw woord verzin. En dat woord blijf ik dan gebruiken, want ik wil in de Dikke Van Dale. Dat is het enige wat ik op mijn bucketlist heb staan.

Hij deed iedere dag een bladzij. Bucketlijsten bestonden toen nog niet, maar de postbode wilde in Tel uit je winst van Theo Eerdmans, een quiz waar je duizend gulden winnen kon.

Om de zaak te vergemakkelijken had hij de vragen die hem gesteld moesten worden, alsmede de antwoorden, alvast aan Eerdmans opgestuurd. De postbode kwam vaak op kicksen naar de kroeg, want dat was zijn tweede grote ambitie, profvoetballer worden bij Santos. Maar dan moest hij wel trainen, vond Marie die hem daarom regelmatig veertig rondjes om het biljart liet rennen. Als ik mijn ogen sluit, hoor ik nog het geluid van zijn noppen op de granieten vloer.

Tien dagen voor kerstmis kocht mijn moeder op de Bos en Lommer een piepklein kerstboompje dat ze thuis optuigde met echte kaarsje die iedere avond even branden mochten. Echte kaarsjes was veel mooier, maar toch ging ik altijd naar de kerstboom van tante Corrie kijken met zijn gekleurde lichtjes, zijn engelenhaar en zijn kerstballen in alle kleuren.

Bovendien brandde bij tante Corrie de kachel. Als ons boompje stond, gingen we naar de bloemenmarkt op het Singel voor de jaarlijkse kerstbomenmarkt. Mijn ouders waren unaniem van mening dat de ­bomen daar veel te groot waren, maar dat ze mooi waren en heerlijk roken, daarover waren we het eens.

Het ritueel duurde totdat ik ik liever de kerstbomenversiering in het café ging inspecteren, waarbij de versiering bij Emmelot op de hoek van Lange Niezel en Oudezijds Voor altijd als winnaar uit de bus kwam. Piet had twee hele dagen nodig om de takken op te hangen, en weghalen was zoveel werk dat het vaak tot Pasen duurde. Op de bloemenmarkt verkopen ze houten tulpen en in cafés kom ik niet meer, om deze tijd van het jaar ga ik naar de binnentuin tussen de Roelof Hart en Gerard Terborgh.

De helleborus staat in bloei, maar ik kom voor de grote magnolia en zijn knoppen die opzwellen aan de kale takken. Terug op straat, zo ter hoogte van de kerstbomenverkoper op het plein, kwam me een vrouw tegemoet die een grote tak magnolia bij zich had en zo voorjaar en toekomst met zich mee voerde. Ik was het café al voorbij toen ik zachtjes neuriënd op mijn schreden terugkeerde en alsnog naar binnen ging. De jongeman en de jonge vrouw die achter de tap stonden, droegen ­allebei een hagelwit overhemd en aan de bar zat een piepklein meisje voorover op haar ellenbogen ­geleund.

Nadat ik een kruk had bezet, keek ik nog eens goed, maar het was inderdaad een meisje. Een jaar of 5 zo te zien. Ze had een tekenschrift binnen handbereik en naast haar stond een van roze ballonnen gevouwen hondje. Ik bestelde een jonkie, waarna de jongeman in het witte overhemd een kelkje voor me neerzette en dat vol schonk, maar zonder kop erop, zoals ik merkte toen ik me voorover boog om het de Roomse borrel behandeling te geven.

Zijn collega was inmiddels aan de bar gaan zitten met een kom erwtensoep die begeleid werd door twee plakken roggebrood met spek.

Aardappelen lust ze niet, maar ze is gek op broccoli, bloemkool, boerenkool, dat soort dingen. Jij bent er wel vaker geweest, maar zij niet. Mooie winkels verdwijnen sneller dan de koeien kalveren. Maar Vlieger zit er nog. Ik word duizelig van geluk als ik binnenkom. Al die laadjes met al dat ­papier met al die namen, awagami ogura, byakka kinsunago, grafica 2,95, ingres 1.

En die heerlijke enveloppen in alle kleuren. Bij het trappetje naar de bovenverdieping waar ze in verf doen, bekijk ik de vitrine met lang geleden door Vlieger uitgegeven boeken en prenten, A is een aapje, De kleine wees, Het kat en muisspel, maar dan moet ik er vandoor. Geen groter genoegen dan op de smalle stoep te staan terwijl de tram door de straat reed. In de tram was het ritje door de Bakkerstraat al even spectaculair, vooral als het ­moment kwam dat je bocht om ging, want dat kon eigenlijk niet, zodat het ­altijd leek of je zo de Amstel in zou duiken.

Uit een koffer verkocht hij kostuums aan boeren en buitenlui en daarbij deed hij het voorkomen dat er een pak bij was, dat hij eigenlijk niet verkopen wilde. Omdat het anders en beter was dan de andere pakken die hij in zijn koffer had, terwijl ze alle vier precies hetzelfde waren.

In de oorlog waren zijn ouders ondergedoken, in Driebergen. Ze werden verraden, maar ontsnapten uit het politiebureau. De rest van de oorlog zaten ze in een gat in de grond in een bos in de omgeving.

Ik vraag me vaak af wie die verraders waren. Die hadden het, zoals we in de boeken van hun kinderen kunnen lezen, juist druk met het redden van ­Joden. Maar wie dan wel? Ik geloof niet dat ik ooit een interview heb gelezen met iemand die vertelt hoe in de oorlog bij de ­buren ondergedoken Joden heeft aangegeven.

Daarom hadden ze een primus, koffie en een doos suikerklontjes bij zich. Dat waren dan de suikerklontjes. Daar stonden drie biljarts. Ik biljartte met een kinderkeu.

Meneer de Laat gaf me een Heineken kistje. Anders kon ik er niet bij. Als Ajax verloor, werd het Hotel de Houten Lepel. Op het strand van Tel Aviv staan vier groen geverfde houten fietsen in vier maten.

Het zijn geen echte fietsen, maar je kan er wel op fietsen. Een eindje verderop stond een meisje met haar rug naar de hoge zee een selfie te maken. De golf die haar schoenen zouden overstromen, zag ze daarom niet aankomen.

Ze schrok, maar ze moest ook lachen. Sommige dingen zijn overal en altijd gelijk. Gisteren gingen we met de trein van Tel Aviv naar Akko.

Zee en strand reisden mee. Geen mens te zien en af en toe wolken bougainville in vele kleuren. Ze waren geen dag ouder geworden. Tijdens de officiële opening lazerde de directrice van het ­museum van een trapje, sprak Freddy Hollander die alles geregeld had mooie woorden en keek Eberhard van der Laan vanaf een foto toe. In mijn eigen toespraakje bleek ik zonder dat ik het in de gaten had van het Engels in het ­Nederlands te zijn verdwaald, maar de zaal leek dat niet te deren. Terug in Tel Aviv reden we naar de markthal aan de haven waar we ons in het restaurant boven de kramen met aardappelen en uien aan lekker eten wijdden.

Omdat ik op sjiek moest, moest ik naar Warenhuis het Wespennest voor een paar schoenen, een broek en een overhemd. Een jasje bleek ik gelukkig nog te hebben. Toen we de ingang in het oog kregen met daarachter de kramen met glitterende vrouwen die in geuren doen, wilde ik ervantussen. Maar ik vermande me, drukte de holte van mijn hand als een kapje over neus en mond en haastte mij richting roltrap. De arm van de cosmetica reikt ver, maar de eerste verdieping hebben ze nog niet overgenomen dus daar kon ik weer ademhalen.

Een broek is meestal veel gedoe, maar de tweede broek was raak deze keer. Schoenen hadden ze niet in mijn maat, maar het overhemd was perfect. De verkoopster dropte ons bij de kassa, waar we onder helse muziek aansloten bij een rijtje. Mijn geliefde was aan het afrekenen toen de caissière me vroeg of ze me ergens mee kon helpen. Ik zei dat ik al geholpen werd.

U keek zo kwaad naar ­elkaar. De baleinen uit mijn vaders overhemden waren altijd kwijt, herinnerde ik me. Waar ik ook ben in de stad, altijd vraag ik me af of ik hier wel eens bij iemand in huis ben geweest. Opmerkelijk vaak is dat niet het geval. In Zuid zijn hele buurten waar ik straat voor straat binnen ben geweest, bij vrienden, vriendinnen, of op feestjes. Zoveel huizen als ik ken in Zuid, zo weinig ken ik er in Oost en ook in het Centrum heb ik niet veel van binnen gezien.

Ik overdacht een en ander toen ik op weg was naar een teruggevonden vriend die in de Gasthuismolensteeg bleek te wonen. Het verlengde van de steeg, de Hartenstraat, had me wel eens ontvangen. Voor enkele opmerkelijke dagen en nachten op een kamer boven een snackbar en met uitzicht op een restaurant, waar ik jaren later eens een tongetje ging eten met Jan Cremer.

Toen ik mijn mes in de tong zette, bleek hij niet geheel ontdooid. Een kwartier later werd een nieuwe tong gebracht die toen ik aan zijn achterkant begon al eerder aangesneden bleek. Misschien niet mijn slechtste horecaervaring, maar het komt in de buurt. Mijn teruggevonden vriend was in de tussentijd gedichten gaan schrijven, zevenregelige verzen, waarin hij de zee zichtbaar maakt.

Inmiddels waren het er meer dan duizend. Ik kwam ogen en oren ­tekort en kon ze nauwelijks geloven. Van deze grenzen was de ­Admiraal de Ruijterweg de ­belangrijkste.

Want de Admiraal de Ruijterweg was levensgevaarlijk, zoals mijn moeder nooit ­naliet te benadrukken. Als je die overstak, was je eigenlijk al dood.

Dat kwam door de trams die er reden, de Kikker en de Blauwe Tram naar Zandvoort. De Kikker was gevaarlijk, maar een tram. De Blauwe Tram was een trein en dus nog veel gevaarlijker. We mochten de Admiraal de Ruijterweg niet oversteken, maar nergens stond geschreven dat je er niet naar kijken mocht, en dat ­deden we dus. Vanaf onze kant ­keken we naar de verboden overkant, waar niets te zien was, maar die ons toch trok, omdat hij verboden was.

Met enige regelmaat denderde de Blauwe Tram voorbij. Daas van opwinding legden we een cent op de rails en wachtten af, in een portiek, want als de tram ontspoorde kon je maar ­beter niet te dicht in de buurt zijn. De Blauwe Tram reed over onze centen heen alsof ze er niet waren.

De week daarop probeerden we het met stuivers, maar ook een stuiver was niet genoeg voor een ontsporing, zodat we uitweken naar de bouwterreinen achter de Hoofdweg. Gewapend met twee planken staken we het eindeloze drijfzand over. We renden over de steigers van de nieuwbouw en aan het einde van de middag reden we met het lorrietreintje terug naar het Bos en Lommerplein. Vlaams Friteshuis Vleminckx op de hoek van de Voetboogsteeg en de Heiligeweg maakt volgens velen de lekkerste patat van de stad.

In die mening kan ik me vinden en vandaar dat ik als ik trek heb in een patatje vaak aansluit bij de rij die vrijwel zo permanent is als die bij het Anne Frank huis. Een niet gering pluspunt van Vleminckx is café Havelaar aan de overkant, waar je je patatje mag opeten met een biertje erbij.

In het café stond de barkeeper glazen te spoelen. Terwijl hij mijn biertje tapte, zei hij dat ik hem bekend voorkwam. Waarop ik hem vertelde over een kennis in de kaasbusiness en met verstand van wegen die op de markt een ons paté wilde kopen. Het stuk dat de koopman vervolgens met zijn mes aanwees, was volgens mijn kaaskennis ruim twee ons, en dat zei hij ook. En dan vooral het gedeelte waarin meester Pennewip de versjes van zijn hoogbegaafde leerlingen ­nakijkt en zelfs corrigeert. Ook het vers van Slachterskeesje raakt me, hoe vaak ik het ook lees, altijd diep in de ziel: Het meisje, ik denk dat ze een jaar of zeven was, droeg een blauwe jurk met sterretjes en had een bosje houten tulpjes bij zich, heel feestelijk.

Ik zei dat ik haar zou waarschuwen en vroeg of ze naar een promotie ging. Maar nee, ze ging naar haar zuster. Dat vond ze niet erg, want dat was ze zelf ook zei ze, hoewel ze niet vroeg waar ik heen ging. Op de hoek van de Pieter van der Does en de Admiralengracht, waar vroeger het zwembad was en nu een moskee is, kwam een groep meisjes aanlopen. De meisjes waren een jaar of tien en op het oorlogspad. De leider keek de gracht af en nadat ze had vastgesteld dat alles veilig was, geen vijand te zien, gaf ze het sein dat het groepje de Pieter van der Does kon verlaten en langs de gracht zijn weg kon vervolgen richting Erasmuspark, waar ongetwijfeld nieuwe avonturen wachtten.

Het is zestig jaar geleden dat wij jongens hier op oorlogspad waren. Er is veel veranderd in de buurt, de gracht is rechtgetrokken, het park is van een wildernis in een park veranderd, de landjes zijn gefatsoeneerd, maar je kan nog steeds zien dat dit een fijne buurt was om op te groeien en dat het dat waarschijnlijk nog steeds is.

Tussen het park en de sportvelden aan de Joos Banckersweg werd op een dag het rietland opgespoten. Niet veel later ontdekte Hans van Bronkhorst dat er kogels, echte kogels, in het zand te vinden waren. Wij jongens vonden dat behoorlijk eng, maar Hans van Bronkhorst niet. Mijn oom Piet had geen auto en daarom gingen tante Gré en hij op zondag wel eens met ons mee voor een gezellig ritje over de oude Utrechtse weg of de nieuwe weg naar Den Haag.

Lekke band, radiator droog gekookt, benzine op, maar als we Amsterdam weer in zicht kregen, zei oom Piet: Want ik wist wat er komen ging. Mijn oom Piet zou zich tot de ­Chinees richten die ons naar een ­tafeltje bracht en iets zeggen als: Wij lekker eten op, ja?! Het gekke was, dat de Chinees het heel gewoon leek te vinden. Vijf en zestig jaar later kan ik mijn schaamte nog navoelen.

In dit boek zeggen de Engelsen en Chinezen dingen tegen elkaar als: Why for you say no can. Om met elkaar te kunnen praten, spraken ze Pidgin. Mijn oom Piet was er niet op uit de Chinees te kleineren.

Hij sprak een taal. Als ik wil betalen, moet ik mijn vijf euro biljet in een gleuf steken, waarna het wisselgeld rinkelend in een bakje valt.

Dat is ook al net Parijs, waar je op deze manier je metrokaartjes koopt. Als ik met mijn stokbrood buiten sta, denk ik aan Lonneke, die hier op zaterdagmiddagen van lang ­geleden in een bloemenwinkel werkte. Lonneke woonde aan de andere kant van de Bos en Lommer, in het buurtje rond de Wiltzanghlaan, waar de avontuurlijker leeftijdgenoten woonden.

Aan ­onze kant van de Bos en Lommer waren we allemaal keurig en ­deden we alles zoals het hoort. We gingen naar de middelbare school en naar de kapper en droegen trouw de kleren die onze moeders voor ons klaarlegden. Ze doet haar plicht, zonder op te kijken, zonder te protesteren. Als een hond likt ze zijn hand. Anton moet voor zaken nog wel eens weg. De vrouw heeft dan het huis voor zich alleen. Maar ze kan niet weg. Hij heeft alles zorgvuldig afgesloten.

Als zij in zijn ogen ondeugend is geweest sluit hij haar op in haar kamer. Hij zorgt er daarbij altijd voor dat zij voldoende te eten en te drinken heeft. Ook een slaaf moet je onderhouden. Anton waarschuwt haar dat ze als ze heel erg ondeugend is, opgesloten wordt in de garage, een potdichte, donkere ruimte beneden de woning.

De vrouw fluistert dat ze haar best zal doen om geen fouten te maken. Soms is Anton meerdere dagen van huis. Hij laat haar achter met de opdracht om op te schrijven wat ze die dagen allemaal doet.

De eerste keer dat ze die opdracht had gekregen, las Anton niets terug over haarzelf, of ze zich gestreeld had, of ze troost had gezocht bij een kaars of een komkommer. Hij riep haar ter verantwoording. Ze ontkende iets te hebben gebruikt. Anton liet haar een komkommer halen uit de keuken en hij liet haar op haar rug op het kleed liggen.

Hij stak eigenhandig de vrucht in haar kut, nadat hij het met boter had glad gemaakt. Hij neukte haar met het ding. De volgende keer zou ze uitgebreid beschrijven wat ze had gedaan, met een kaars, met een vrucht, met wat er ook maar voor handen was. Dat wist zij ook. De zaken waarvoor Anton de deur uit moet betreffen de kunsthandel.

Anton verkoopt de foto's en de schilderijen die hij van de vrouw maakt voor goed geld. De boodschap van de onderworpenheid komt duidelijk in het werk naar voren en voor dat werk is een markt. Anton weet de wegen naar de achterkamertjes van de kopers. Sommige van hen worden opdrachtgever en voor veel geld willen zij bij voorbeeld een foto kopen van de billen van de vrouw, waar rode striemen van het geselen op te zien zijn.

Of ze willen een geschilderde close up van haar kut, behaard en wel. Anton levert op verzoek alles wat wordt betaald. En telkens moet de vrouw er voor poseren. Het duurste schilderij is dat waarop de vrouw in een pose als van de vrouw van Courbet te zien is, op haar rug, haar kut naar de kijker gericht, maar nu met verder opengesperde schaamlippen en met duidelijke sporen van zaad tussen haar lippen.

Anton is trots op zijn werk. Dikwijls kan hij tijdens het schilderen het niet laten om zich erbij af te trekken. In Antwerpen is het altijd koopzondag. Anton en de vrouw gaan met de auto naar de stad. Het is prachtig weer. Anton heeft er zin in. Zelfs de vrouw lijkt het leuk te vinden. Anton kijkt zijdelings naar haar.

Ze moest maar eens naar de kapper, haar blonde haar wat meer volume geven. In Antwerpen zoekt Anton eerst een dure lingeriewinkel. Hij wil dat de vrouw een ragfijn setje past, lichtblauw met kanten bloemmotieven. Als zij het past mag ze het gordijn van de paskamer niet helemaal sluiten. Andere bezoekers kijken steels naar binnen als de vrouw daar in haar blootje staat.

Anton wenkt een verkoopster, die hij inschat als een lesbische liefhebster. Hij vraagt haar zijn brouw te helpen bij het passen. De verkoopster knikt begrijpend en verdwijnt in het pashokje.

Door een spleet ziet Anton dat zij zijn vrouw helpt, door met haar handen de borsten van zijn vrouw in de cups te strelen. En zij betast ook het ijldunne slipje waarin de vrouw nu gekleed gaat, haar kaalgeschoren kut vaag zichtbaar door het dunnen weefsel. Anton krijgt er een stijve van. Als de pasvorm goed bevonden is, trekt Anton de portemonnee. Hij koopt gelijk twee setjes voor de vrouw, de blauwe en een vuurrode.

Bij die vuurrode zou ze beter donker haar kunnen hebben, denkt hij. Verven is een optie. Op straat vraagt Anton haar of de verkoopster aan haar heeft gezeten. De vrouw schudt haar hoofd. Hij heeft het toch gezien! Dat wordt straffen thuis. De vrouw moet vertellen wat er precies is gebeurd. Zij fluistert dat de vingers van de verkoopster Anton verstaat het niet.

Voor het eerst moet de vrouw het fluisteren opgeven en met duidelijke stem wat zeggen. Ze moet er even aan wennen. Op straat, tussen de massa mensen vertelt ze dan hoe de verkoopster met lange vingers aan haar borsten zat, haar tepels aanraakte, over haar billen streek, langs haar kruisje ging Een passerend echtpaar kijkt om en ze stoten elkaar aan.

In een volgende chique winkel kleedt Anton de vrouw verder aan. Een strakke rok waarin haar billen mooi uitkomen, blouses van dunne stof waarachter de nieuwe bh schemert, truitjes, een jasje. Alles van hoge kwaliteit en fijn van kleuren. In een aparte afdeling koopt Anton voor haar zwarte kousen en een rode jarretelgordel. Alles is nu klaar, alleen haar haar nog. Anton brengt haar naar een dure kapper en legt uit hoe hij het bij haar wil hebben. Het zal uren duren, goed verven vraagt tijd.

De fielt van een kapper fluistert of het schaamhaar ook gekleurd moet worden. Anton kijkt hem vernietigend aan. Enkele uren later staat er een andere vrouw voor Anton.

Ze heeft donkerbruin haar met veel meer volume dan voorheen. Haar gezicht is opgemaakt. Ze gaat nu gekleed in een nauwe kokerrok, waaronder zwarte kousen, en daarboven een doorkijkblouse.

De rode bh steekt af tegen de dunne stof. Eigenlijk is ze omgetoverd tot een heel mooie vrouw en geen enkele voorbijganger zal nog vermoeden dat zij de slavin is van haar begeleider.

Het zal haar nog tegenvallen als ze alles weer moet inleveren. De kokerrok van de vrouw is nogal opgeschoven en Anton ziet de rand van de kousen en soms een stukje witte huid. Het windt hem op. Hij denkt terug aan zijn moeder, hoe die soms zogenaamd achteloos een stukje van haar dij kon laten zien en hij, puber, geil werd van zijn moeder. Hoe zij dat in de gaten had.

Hoe zij hem daarop aansprak. Hoe zij hem toen zogenaamd voorlichting gaf door hem haar hele lichaam te tonen en hoe hij zich toen moest aftrekken bij haar commentaar. En hoe hij zich schaamde daarna. De herinnering kont altijd terug in zijn contacten met vrouwen. Anton dwaalt in zijn gedachten af naar het verloop van de dag. Hij bedenkt dat hij zijn vrouw nog moet straffen omdat ze tegen hem gelogen heeft.

Op de tv is een romantische film met Meryl Streep en de vrouw is verdiept in het verhaal.

Wijd opengesperde kut toilet slaaf gezocht

NEUKENMETDIEREN MASTUBEREND MEISJE

Gauw naar de loopplank dus en aan boord. Hij werd leerling typograaf en was lid van de Bond. En dan mag ze blijven, tot de volgende dag. Als ik op zaterdagmiddag door de Leidsestraat liep, dacht ik altijd dat er van alles ging gebeuren, maar er gebeurde nooit niks. De fielt van een kapper fluistert of het schaamhaar ook gekleurd moet worden. Anton is al opgewonden.